‘Wat doe ik hier in GODSNAAM?’

Op zaterdagmiddag 26 oktober kwamen er maar liefst rond de negentig mensen in het Nutshuis bijeen om te luisteren naar, en in gesprek te gaan met, oranjedominee Carel ter Linden. Hij kwam vertellen over zijn nieuwste boek ‘Wat doe ik hier in GODSNAAM’. Het was de tweede bijeenkomst in de serie over ‘humanisme, religie en spiritualiteit: een nieuw verbond?’.

Het was een bont gezelschap van gezindten. Zo waren er humanisten, vrijzinnigen, vrijmetselaars, apostolen en remonstranten aanwezig. Dit zorgde voor een waaier aan vragen uit allerlei verschillende hoeken, van heel verschillende aard. Maar eerst leidde dominee Ter Linden de middag in met een uiteenzetting van zijn boek in acht punten:

  1. Ter Linden legde uit hoe hij zijn kinderlijk geloof in een God is kwijtgeraakt. Hij kon niet langer geloven in een God die boven in de hemel is en vanaf daar naar ons mensen kijkt. Waar men dit in vroeger tijden letterlijk nam, is het voor ons nu een beeldspraak geworden.
  2. De tweede kwestie die Ter Linden aanroerde was die van de biologische evolutieleer tegenover het geloof in een God die dit alles heeft geschapen. Deze twee moeilijk te verenigen zienswijzen hebben  bij Ter Linden het idee van een onzichtbare scheppende hand aan het wankelen gebracht.
  3. Hiermee samenhangend noemde Ter Linden de twijfel aan een God, die ook zoveel narigheid, zoals ziekten en natuurrampen zou hebben voortgebracht. Dit bracht Ter Linden steeds meer tot de overtuiging dat er géén architect aan deze wereld ten grondslag ligt.
  4. Hierop voortbouwend sprak Ter Linden ook over een God die juist aan de kant van de zieke staat, in plaats van aan de kant van de ziekte. Hij gaf hierbij het voorbeeld van Jezus, die zieken kon genezen.
  5. Dit bracht Ter Linden tot het besef dat ons de spelregels (hoe te leven) niet van bovenaf worden opgelegd, maar dat de mens ze zelf ont-dekt. Hij noemde als voorbeeld de tien geboden, die wij vandaag de dag als beeldtaal kunnen lezen.
  6. Zo kwam Ter Linden erop uit dat God voor hem een geestelijke werkelijkheid is van trouw, barmhartigheid en gerechtigheid.  God als kracht, die deze raadselachtige werkelijkheid bijeenhoudt. Hij gelooft nu nog maar in één werkelijkheid, waarin diepe waarden deze werkelijkheid bijeen houden . Hij noemde dit de zachte krachten, naar analogie van Henriëtte Roland Holst. Deze geestelijke werkelijkheid heeft de mens nodig, maar de mens heeft ook dit krachtenveld nodig. Simpeler gesteld: deze waarden kunnen alleen door de mens gekend worden.
  7. Ook sprak dominee Ter Linden over het woord “God”. Hij gaf aan hier nog wel aan te willen vasthouden, omdat dit woord voor hem staat voor de wijsheid uit de bijbel, die voor hem nog steeds een grote inspiratiebron vormt. Ter Linden plaatst ook wel het Essentiële op de plek van God. Hier bedoelt hij de kern mee, dat waar het werkelijk om gaat.
  8. Het Essentiële krijgt een stem door de schrijvers, die in naam van God spreken en het geloof verkondigen. Zo zoekt het Essentiële verbinding met mensen in het alledaagse leven.

Tot besluit voor de pauze sprak Ter Linden over de stem van het Essentiële als een tegenstem, een soort geweten. Bijvoorbeeld de stem van Jezus die tot ons spreekt. Nogmaals tot slot (nu echt!) gaf Ter Linden aan dat de vraag van de titel van zijn boek (die overigens van Midas Dekkers afkomstig is) volstrekt serieus genomen dient te worden. En het antwoord daarop? Dominee Ter Linden gaf aan dat voor hem dit gaat over een van stap tot stap opgebouwd vertrouwen in de medemens, in humane waarden.

Na de pauze werden er, onder begeleiding van bestuurslid Helen Land, vragen uit het publiek gesteld en enkele vragen vanuit De Vrijplaats. Helen vroeg Ter Linden wat voor hem raakvlakken waren met humanistische denkbeelden, waarin een zoekende houding en inspiratiemateriaal uit verschillende bronnen centraal staat. Ter Linden gaf aan zich in dit humanistisch denkbeeld te herkennen, en hij benadrukte hierbij dat waarden uit de mens zelf komen, in plaats van dat ze ons van bovenaf worden aangereikt. Ook hier sprak hij weer over de zachte krachten, die eenmaal zullen overwinnen. Ook sprak hij nogmaals over de bijbel als grote inspiratiebron. Hij is er zogezegd helemaal mee verweven. In die zin zou hij zichzelf dan ook nooit als ongelovige kunnen zien. Een andere vraag van Helen ging erover of Ter Linden zijn persoonlijke zoektocht ook bij andere mensen ziet, met andere woorden, of er sprake is van een trendverschuiving. Hij beantwoordde deze vraag bevestigend, en gaf als voorbeeld dat hij ziet dat veel mensen niet langer in een leven na de dood kunnen geloven.

De vragen uit het publiek waren heel divers: van een vraag over het geloof in een duivel tot aan een vraag over troost. Ter Linden noemde in plaats van de duivel als persoon, de duivel als het kwade in onszelf. Over troost zei Ter Linden dat hij niet langer troost kan vinden in een leven na dit leven. In het pastoraat heeft hij ervaren dat het luisteren naar een ander, en niet meteen je mening klaar hebben, veel troost kan bieden. Het is voor Ter Linden de medemens die over ons waakt, niet een God. Hij gaf hierbij het eenvoudige  voorbeeld van het belang van ‘slaap lekker’ tegen elkaar zeggen  als je allebei naar bed gaat. Dat geeft het gevoel dat je over elkaar waakt.

Tot slot gaf Ter Linden aan dat hij met zijn boek heeft willen bewerkstelligen dat gesprekken over de flinterdunne scheidslijn tussen geloof en ongeloof kunnen groeien. Dat is precies wat er in deze middag gebeurde: er was een gesprek ontstaan tussen alle aanwezige gezindten, waarin verschillende visies en gemeenschappelijke waarden werden geuit.  Het persoonlijke verhaal van en gesprek met dominee Ter Linden had menigeen in de zaal weten te raken. Al met al was het een inspirerende middag, die motiveerde om de samenwerking tussen verschillende gezindten verder voort te zetten. De Vrijplaats heeft dit voornemen dan ook ter harte genomen.

Door Mirjam-Iris Crox