‘Humanistisch boeddhisme?’ door Jos de Wit

Bijeenkomst De Vrijplaats, zondag 27 november 2016, verslag door Heleen Jonker.

Socrates en Boeddha leefden allebei omstreeks 500 voor Christus en dat is bij lange na niet de enige overeenkomst tussen boeddhisme en humanisme. Beide levensbeschouwingen streven naar ‘verlichting’, levenskunst dus, zonder uit te gaan van hogere machten. Maar waar humanisten de verlichting veelal in de samenleving zoeken, begint de boeddhist bij zichzelf. Wat kunnen wij humanisten leren van het boeddhisme? 

Leer en vervolg

De kern van de leer van Siddharta wordt gevormd door de zogenaamde Vier Edele Waarheden, die overigens pas later als zodanig zijn opgetekend:

  • De waarheid van het lijden (dukkha), tegenwoordig meer omschreven als ‘onbevredigd zijn’. Dit omvat tegenslag, pijn, ziekte, verval, gemis en weerzin, maar ook alle negatieve gevoelens en speelt zich af op verschillende niveaus (de vijf geledingen); het lichaam, de gevoelens, de cognitie, de drijfveren en de gewaarwording. Het is dus een intensieve en alomvattende situatie, onlosmakelijk verbonden met het aardse en menselijke bestaan.
    Door de samsara, de wedergeboorte, voltrekt zich het leven en het lijden steeds weer opnieuw. Er zijn verschillende kringen waarin men terug kan komen, afhankelijk van het (pas later als begrip ingevoerde) karma dat men heeft opgebouwd, niet als straf, maar als wetmatigheid, als oorzaak en gevolg. Overigens is dit geen determinisme, maar is het afhankelijk van de vrijheid en de intenties van degene die leeft; het kan dus door individueel gedrag veranderd worden. Overigens ontkende de Siddharta een onsterfelijke ziel; hij sprak van het anatta, het niet-ik. Wedergeboorte gebeurt veeleer door een bepaald kosmisch bewustzijn, dat zich steeds weer opnieuw manifesteert bij een geboorte.
  • Begeerte (tanha) is de voortdurende innerlijke impuls tot verandering van een ongewenste situatie, een voortdurend hunkeren naar iets dat er nu niet is. Het wordt vooral aangewakkerd door onwetendheid en leidt tot het lijden. De morele dimensie van de begeerte bestaat erin dat het niet alleen onszelf, maar ook anderen schade berokkent. De begeerte is datgene wat steeds weer leidt tot herhaling (wedergeboorte) en in combinatie met haat en verblinding of onwetendheid worden gezien als de mentale vergiften.
  • Als het de mens lukt om de begeerte te boven te komen kan hij daarbij uit de vicieuze cirkel van wedergeboorte en lijden ontkomen en ‘uitdoven’ in het Nirwana.
  • Het achtvoudige pad tot verlossing van de begeerte bestaat uit een groot aantal leefregels en voorschriften, zoals weten wat kwaad is, geen kwaad aanrichten zoals liegen, stelen of moorden, andere wezens pijn doen of seksuele of alcoholische onmatigheid.

Uiteindelijk leidt dit tot het ‘uitdoven’ in het Nirvana.

Verspreiding en succes van het Boeddhisme

Vanuit India heeft het boeddhisme zijn weg gevonden naar centraal en zuidoost Azië. In China heeft het vooral gebloeid tijdens de T’angdynastie en heeft van daaruit zijn weg gevonden naar Japan, waar de speciale zen-versie is ontstaan. In India heeft het nog lange tijd een bloeiend bestaan gekend; dat blijkt onder andere uit de aantekeningen van een in de 8e eeuw rondtrekkende Chinese monnik, Han Shuan, en het feit dat rond 800 nog melding gemaakt van een boeddhistische universiteit. Pas door de invallen van islamitische veroveraars in de Middeleeuwen en de komst van de Mogol-heerschappij is het boeddhisme in India voor een groot deel verdwenen. Vanaf de 19e eeuw kreeg het steeds meer belangstelling vanuit westerse landen, waar het sindsdien een steeds belangrijker plek heeft ingenomen. Ook de wetenschap lijkt steeds meer beïnvloed te worden door het boeddhisme, bijvoorbeeld door het concept van mindfullness, dat in de praktijk zeer effectief blijkt te zijn bij het omgaan met pijnklachten en psychische stoornissen.

Het succes van het boeddhisme kan verklaard worden doordat het uitgaat van universele menselijke ervaringen en dermate abstract is dat het overal toepasbaar is. Verder is het in eerste instantie heel praktisch gericht op individuele groei en ontwikkeling, los van welke politieke context dan ook. Het heeft daarmee aan iedereen iets te bieden, niet alleen voor de Sangha, maar ook voor de lekenvolgelingen, want dankzij hen kan de Sangha bestaan. Zij verkrijgen daarmee ook goed karma. Het betekent ook dat iedereen de vaardigheden kan verwerven om goed karma te bewerkstelligen, niet alleen door meditatie, maar vooral door een compassievolle houding naar de wereld. Overigens moet hierbij bedacht worden dat de eerste deugd van het boeddhisme, vrijgevigheid, ook in het belang van de monnikengemeenschap is, die daardoor middelen van bestaan weet te verwerven. Het waren dan ook voornamelijk monniken, die de verhalen over de Boeddha en de boeddhistische deugden hebben opgeschreven.

De leer van de Siddharta is dus optimistisch (en humanistisch) in de zin dat hij geloofde in de mogelijkheden van de mens om zijn lot te veranderen en doordat het universeel toepasbaar is, juist in een situatie van grote sociale veranderingen.

Boeddhisme en humanisme

Volgens Alphons van Dijk zijn er op een groot aantal punten overeenkomsten tussen boeddhisme en humanisme, die hij samenvat in het begrip ‘verlichting’:

  1. Beide wereldbeschouwingen staan kritisch tegenover autoriteit en gezag als slaafse navolging en benadrukken de eigen verantwoordelijkheid. Het boeddhisme heeft daarbij wel nadrukkelijk oog voor de noodzaak om te leren en de valkuil van het absoluteren van het Ik.
  2. Beide wereldbeschouwingen ontkennen het bestaan van een godheid, waarbij boeddhisme vooral agnostisch is en niet per se atheïstisch. Het boeddhisme benadrukt ook hier weer het gevaar van een verabsoluteerde persoonlijke identiteit.
  3. Boeddhisme en humanisme ontkennen evenzeer de aanwezigheid van een goddelijke openbaring van de waarheid, waarbij de verlichting van de Siddharta in de praktijk soms wel als een openbaring wordt beleefd.
  4. Beide wereldbeschouwingen gaan uit van de eigen ervaring als bron van kennis en de eigen redelijkheid en zedelijkheid als uitgangspunt van het gedrag, waarbij het boeddhisme opnieuw waarschuwt voor de gevaren van zelfbedrog.
  5. Beide wereldbeschouwingen gaan uit van de menselijke verantwoordelijkheid voor een goede omgang met de omgeving en de naasten, waarbij het boeddhisme dit met het karma een wat meer kosmische dimensie geeft en het uitstrekt naar het gehele leven.
  6. Beide wereldbeschouwingen ontkennen een bovennatuurlijke werkelijkheid, waarbij het boeddhisme eigenlijk geen onderscheid maakt tussen natuurlijk en bovennatuurlijk, maar uitgaat van het geheel van de werkelijkheid, inclusief alle voorstellingen die men zich daarvan maakt. Het boeddhisme gaat bijvoorbeeld uit van vijf basale natuurwetten, dit vertoont weer overeenkomst met de westerse wetenschap en de ontwikkeling van de natuurkunde vanaf de Renaissance. Er zijn echter wel stromingen binnen het boeddhisme die een meer theïstisch model hanteren.
  7. Introspectie is voor beiden een belangrijk middel tot een goed leven, maar humanisten noemen dat meer bezinning, terwijl boeddhisten vooral mediteren, hetgeen veel meer een activiteit van de hele persoon is en niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats verstandelijk.
  8. Humaniteit als menswording en verwerkelijking van de menselijke existentie spelen in beide levensbeschouwingen een belangrijke rol, waarbij humanisten geneigd zijn dit te ervaren als een maatschappelijk ideaal en boeddhisten als een persoonlijke opgave. De Pali-canon kan daarom ook gelezen worden als een ‘Bildungs’roman over het ontstaan van inzicht en morele groei.

De overeenkomsten tussen boeddhisme en humanisme worden nog versterkt in de interpretatie van het zogenaamde seculiere boeddhisme van Stephen Batchelor. Hij stelt in zijn werk dat de essentie van het inzicht van de Boeddha verloren is gegaan doordat er een religie van is gemaakt compleet met universele waarheden, rituelen en symbolen. Hij stelt voor de essentie van de tekst en de leer weer centraal te stellen en dan kan boeddhisme niet anders zijn dan een praktisch handvat hoe te leven: levenskunst in humanistische termen. Naar zijn idee moeten de Vier Edele Waarheden gezien worden als vier opgaven waar een mens voor staat om met het leven om te gaan. Deze zijn te omschrijven als:

  • Aanvaard het lijden in dit moment
  • Laat het verlangen los om te ontsnappen aan de situatie van dit moment
  • Stop de reactie als gevolg van dat verlangen
  • Handel overeenkomstig de situatie.

Hoewel de visie van Batchelor een flinke uitdaging betekent voor het traditionele boeddhisme, wordt toch erkend dat het een authentieke en integere interpretatie van de leer van de Boeddha is.

Siddharta als humanistische voorbeeldfiguur

Vanuit humanistisch oogpunt is Siddharta goed te beschouwen als een mens met een missie, een persoonlijke zoektocht naar inzicht en verlichting. Vanuit dit streven stelde hij zich uitermate kritisch op tegen elke aanspraak op absolute waarheden en zocht hij vooral naar een praktische manier om om te gaan met de moeilijke kanten van het leven. Naast zijn persoonlijke streven naar inzicht werd hij ook bewogen door mededogen met zijn medemens en heeft hij de tweede helft van zijn leven besteed aan hulp en zorg voor zijn medemensen bij het verwerven van inzicht en persoonlijk levensgeluk. De grote betekenis van zijn leven en zijn leer blijken uit de enorme navolging die hij heeft gekregen. Men kan dus spreken van een voorbeeld van (humanistische) levenskunst.

De belangrijkste les die Siddharta mijns inziens kan leren aan het humanisme is om vooral in eerste instantie bij jezelf te beginnen als het gaat om het verbeteren van de wereld en vooral kritisch te blijven kijken naar je eigen leven en je eigen gedrag.